woensdag 18 januari 2012

Troost

Vandaag was ik met Klaas op de crematie van een broer van een lieve vriendin. Als ongeneeslijk zieke naar een crematie gaan, heeft iets ongemakkelijks. Alsof je als hoogzwangere op kraambezoek gaat.
Sommige mensen waren ook verbaasd me te zien. Wat doe jij hier nou?

De uitvaart was geregeld door de uitvaartondernemer wiens naam bij ons thuis ook al ter sprake is gekomen de afgelopen week. We hadden bedacht om hem binnenkort maar eens te bellen. Gewoon, alvast. Voor de zekerheid. Om eens te praten. Vrijblijvend. Polsend. Ik heb een documentje aangemaakt met een paar aantekeningen en wensen. Zoals een zo eenvoudig mogelijke kist – is dat iets wat je aan iemand uit je vriendenkring kunt vragen om te maken, of is dat een heel ongezellige klusvraag? Ik heb al een website gevonden met de wettelijke eisen waaraan zelfgemaakte kisten moeten voldoen, inclusief de eisen voor de binnenbekleding.

Ik opperde dat ik ook maar eens moest nadenken over orgaandonatie, of misschien zelfs mijn lichaam ter beschikking moet stellen aan de wetenschap. Interessant materiaal met pancreastumor en migraine-verleden wellicht. Dat vond Klaas te ver gaan, om daar zo over te praten, al voegde hij er aan toe dat hij met liefde voor me wilde uitzoeken hoe dat zit.
Bloemen, daar hebben we het ook over gehad toen we op weg naar de crematie een boeketje kochten. Ik wist even niet meer of je op het kaartje bij een boeket nou iets moet schrijven voor de overledene, of juist iets voor de nabestaanden. Ik twijfel ook altijd of oostenwind uit het oosten komt, of juist naar het oosten waait. Uiteindelijk is er altijd wel iemand die het antwoord weet op mijn vraag, en deze keer wist de mevrouw van de bloemenstal in de Linnaeustraat het: oostenwind komt uit het oosten.

In de aula, waar het afgeladen vol was, zat ik me af te vragen of dit de zaal was waar ik mijn uitvaart zou willen. Wil. Klaas en ik zaten achter in de zaal, tegen de muur, een beetje verscholen. Ik vocht tegen mijn tranen; niet omdat ik me schaam om te huilen in het openbaar – Nee zeg, het idee alleen al! –  maar omdat ik moest huilen om de gedachte dat straks Klaas en de kinderen in een aula zitten, zonder mij. Of wel met mij, maar ook weer niet.
De sprekers waren geëmotioneerd, maar zo nu en dan ook heel geestig. Dan werd er gelachen. Dat is goed, lachen. Er moet gelachen worden.
Er moet muziek gemaakt worden, niet alleen van cd's gedraaid, maar live gespeeld. Ik moet een paar mensen vragen of ze willen komen spelen. Waarom applaudisseren mensen niet na een speech of lied? Het wordt zo plechtig en ernstig. Is een begrafenis duurder dan een crematie? Wat doen de kindertjes aan?
Het zou mooi zijn als er wat actie is. Dansen, ja dat is goed! Maar ook moet iedereen iets meezingen. Het is jammer dat ik niet gelovig ben, dan zou ik een paar fijne liturgische krakers uitkiezen die iedereen uit volle borst kan meezingen. Nu moet ik gaan nadenken over wereldlijke alternatieven.

Bij het condoleren schoten mensen vol als ze mij zagen. Ik werd stevig vastgegrepen en geknuffeld. Het voelde bijna alsof ik extra verdriet bracht, en dat terwijl ik juist troost wilde brengen.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen