zaterdag 26 november 2011

Panter

Ik heb ze wel door: volgens mij krijg ik die anti-misselijkheidspillen niet vanwege de chemokuur, maar vanwege het eten dat ze hier serveren. Echt, iedereen is hier superlief, zorgzaam en attent, maar das fressen...
Gisteravond was het geloof ik Tjap tjoy mie. De lucht alleen al was genoeg om mijn maag te doen omdraaien. Ik heb me vergrepen aan een bagel, bruine boterhammen en capresesalade die vriendinnen I. en E. hadden binnengesmokkeld. Aan de quiche ben ik niet eens toegekomen.
Natuurlijk kon ik het niet laten toch even het warmhouddeksel op te lichten van mijn bord Tjap tjoy, zoals ik ook altijd even gruwend moet kijken in een bakje dat veel te lang in mijn ijskast heeft gestaan voor ik het in de prullenbak gooi. (Fascinerend! Kijk, het beweegt!)
Na het avondeten kwam er plotseling weer een paniekaanval.
Het begon ermee dat ik opeens dacht dat ik bang was en moest huilen. Ik drukte maar vast op het zuster-knopje want ik herkende het van gisteren.
Ik begon amechtig adem te halen, hoe hard ik mezelf ook voorhield dat ik rustig moest blijven ademen. Niets zo funest als het gevoel dat je geen controle meer hebt over je lichaam, en aangezien ik het gevoel had helemaal geen controle meer te hebben over mijn ademhaling, ging ik nog paniekeriger ademen.
Mijn voeten begonnen te tintelen ('Oh' dacht ik nog bij mezelf, 'dat heb ik wel eens gelezen over hyperventileren geloof ik') en ik lag als een gek te knijpen in mijn deken, en even later in de hand van verpleger P. Hij probeerde mij– rustig sprekend met zijn Duitse accent –
  weer terug in een wat minder hectisch ademhalingspatroon te krijgen, maar ging ook snel even een rustgevend pilletje halen.
Het duurde een hele tijd voor het over was, ik lag te rillen, de klappertanden, te huilen (hoewel dat laatste nog verdraaid lastig is als je ondertussen ook al moet rillen, klappertanden en ademhalen).

Ik heb zo'n zin om weer thuis te zijn. Lekker in mijn eigen bed, op mijn eigen bank. Ik voel me gevangen hier, en moet steeds denken aan Rilke's Der Panter:

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
So müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
Und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
Der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
Ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
In der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
Sich lautlos auf. -Dann geht ein Bild hinein,
Geht durch der Glieder angespannte Stille -
Und hört im Herzen auf zu sein.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen